HOBBY OF ROEPING? Interview met Gerhard Schopman

Succescoach Gerhard Schopman vertelt over zijn team MB1 en zijn visie op voetbal. Vier kampioenschappen met de meiden op rij en in december 2013 een mooie 2e plek, we spraken geanimeerd met hem.

Laten we beginnen over jezelf.
Ik ben begonnen bij HVV Hengelo, waar ik alle selecties heb doorlopen, een voetbalbeest, altijd fanatiek. Ik probeerde in het veld te fungeren als een dienende speler:  spelen in opdracht van een ander. Ik had als taak de bal te veroveren en die dan gelijk weer in te leveren. Dienende spelers zijn heel belangrijk.

Je hebt zelf veel  gevoetbald.  Nu ben je trainer. Hoe ben je dat geworden?
Ik ben begonnen toen mijn dochter bij Sparta in de F voetbalde, waar de trainingen gericht waren op KNVB-stof.  Dat kon naar mijn mening anders, ik kreeg de indruk dat de kinderen niet meteen doorhadden waarom er zo werd getraind.
Toen heb ik mij aangemeld als trainer. Daarnaast heb ik de dames bij Hengelo getraind en dat beviel ook goed.
Ik probeer als trainer wedstrijdgericht te zijn. Elke speler is op zijn of haar manier goed en dat moet je er als trainer zien uit te halen.

 

Omdat je dochter bij Avanti-Wilskracht ging voetballen, volgde jij als trainer.  Hoe kwam je bij de meisjesgroep terecht?
De coördinator van het meisjesvoetbal, Carmen Oostendorp, was in september 2009 gestart met  1 meisjesteam. Na de winterstop volgde het 2e meisjesteam in de D-groep. In het seizoen 2010-2011 zouden een aantal D-meiden doorgroeien naar de C. Om een C-team compleet te maken, had Carmen een aantal meisjes benaderd die bij de C voetbalden. Mijn dochter was er één van, zij had er wel oren naar om een overstap te maken, dus ik bood mij aan als trainer van het nieuwe C-team.  Het merendeel van de meiden spelen nu nog met elkaar in het huidige MB1. In het begin verliep het moeizaam. Toch proberen,  en naarmate we  doorgingen met proberen, kwamen we tot de ontdekking dat we successen kregen.

Je hebt er een voetballend team van gemaakt. Hoe heb je dat aangepakt?
We begonnen  met afwerken op doel:  kijken wie er goed kon schieten. Je kunt dan gelijk zien wie een bepaalde techniek heeft waarmee je wat kan. Voor de meisjes die het minder konden, zocht ik een plaats waar zij goed konden fungeren en belangrijk zijn voor het team. 

Hebben de meisjes zelf ook aangegeven waar ze wilden spelen? Heb je dat ook meegenomen?
Ja, daar moet je altijd mee beginnen. Dit seizoen zijn er drie nieuwe speelsters bijgekomen vanuit de C-groep en  ik heb ze gelijk gevraagd waar ze wilden spelen. Als je spelers qua voetbal wilt analyseren en wilt zien wat ze kunnen, dan moet je ze op plekken zetten waar ze graag willen spelen. Na enkele weken kun je gaan experimenteren op andere plekken. Zo kun je er meer uithalen.

Ik vind het als trainer prettig om spelers te hebben die op verschillende plaatsen kunnen spelen, daar train ik ook op. Een speler die alleen linksback speelt, is een speler die alleen linksback kàn spelen. Dat is jammer.  Ik zou haar ook als voorstopper in willen zetten.  Dan kan ik in de wedstrijd switchen en zien de meisjes het spel ook van een andere kant.

Een linksback moet ook als een rechtsbuiten kunnen spelen. Dan weet zij hoe een rechtsbuiten speelt. Het is heel belangrijk dat je weet hoe een tegenstander speelt. Door het zelf te doen leer je het.

Zie jij aan de manier van spelen dat de meisjes  ook op  andere posities kunnen spelen of gooi je ze voor de leeuwen?
Ik gooi ze wel eens voor de leeuwen. Soms zie ik iemand en dan denk ik dat ze snel is. Die zou dus wel op een buitenplaats kunnen staan. Dan doet ze dat en dan merk ik dat het niet de juiste keuze was. Mocht het er dan niet uitkomen, dan mag je dat een speler nooit kwalijk nemen. Het is immers je eigen experiment.

Je traint op de maandag en woensdag. Hoe ziet de training op de maandag eruit?
De training op maandag is gebaseerd op de wedstrijd van zaterdag ervoor.  Als je vier keer op rij  kampioen bent geworden en afgelopen najaar 2e, dan verlies je niet vaak, we doen vaak een partijtje.

Veel met de bal spelen, daar krijgen ze een goede conditie van.  Ik doe nooit conditietraining zonder bal, altijd laat ik de meisjes met de bal lopen. Als ik zeg dat de meisjes een duurloop moeten doen is het hek van de dam. Dan willen ze niet, ook al doen ze het  wel. Daarom laat ik ze lekker met de bal rennen.

Tijdens het afwerken op doel laat ik ze vijftig meter sprinten. Daarna is het weer tijd voor een partijtje en daar doe ik altijd zelf aan mee.  Dat is een stuk makkelijker, want een partijtje aan de kant coachen heeft weinig zin.  Als ik aan de kant sta en roep, “Ga eens op tien spelen!”, snappen ze het al gauw niet.  Loop ik in het veld en wijs ze aan waar ze moeten spelen, snappen ze het wel.

Dat was de maandag. Hoe gaat het op de woensdag?
Op de woensdag stel ik ze in op de wedstrijd van de komende zaterdag, zover ik kennis heb van de tegenstander.  Als ik weet dat ze een sterke spits hebben, dan train in mijn voorstopper daarop.  Dat doe ik dan met de spits uit mijn team en als je mijn spits onder controle krijgt, kun je de spits van de tegenstander ook onder controle krijgen.  Dat weet ik zeker.

Mochten ze een goed middenveld hebben dan train ik mijn beste dekkers.  Het is belangrijk om je tegenstander te kennen.

Je hebt dus een goede spits. Daar ga je vanuit?
Ik ben gezegend met een goede spits.  Het is dan wel mijn eigen dochter, maar ze is tweebenig, balvast en kan loeihard schieten.

Hoe heb je haar zo balvast gekregen?
Wij hebben thuis een Duitse herder en die is gek op ballen.  Mijn dochter staat dan uren bij ons achter op het grasveld.  Zij heeft de bal en de hond moet de bal zien te krijgen.  De hond geeft niet op en zij moet er telkens voor zorgen dat de hond de bal niet krijgt.  Dus haar rug gebruiken en de hond wegduwen. Zo leert ze haar lichaam tussen de bal en de hond te houden.  Ze moet blijven  draaien en na een kwartier ben je helemaal kapot, want de hond wordt steeds gekker en probeert steeds met meer inzet de bal te veroveren.

In de wedstrijd zie je de oefening met de hond terug.  Mijn dochter staat tussen drie spelers in en geen van de spelers kan de bal afpakken.  Ze houdt telkens haar lichaam ertussen.  Ze is tweebenig dus ze kan links- en rechtsom.  Dan draait ze om en haalt aan en het is een doelpunt.  In één seizoen –met de bekerwedstrijden erbij – maakte ze zesentachtig doelpunten.

Balvastheid valt dus te trainen. Valt het harde schieten ook te trainen?
Daar kan ik eigenlijk weinig over zeggen. Ik had zelf geen hard schot, maar meisjes in mijn team hebben dat wel.  Er zijn meisjes in mijn team die harder schieten dan ik dat kan.  Zoiets zit in je, het is een techniek en meer kan ik er niet over vertellen.

Als je naar een wedstrijd kijkt, dan kijk je naar de speler met de bal aan de voeten. Daar wordt het spel gespeeld. Ben je het eens met die uitspraak? Wordt het spel bij de speler met de bal gespeeld?
Nee, degene zonder bal bepaalt het spel.  Dat heeft Henk Kalsbeek mij vroeger al geleerd.
Als een speler – die de bal niet heeft – stil blijft staan, geeft die aan dat hij of zij de bal niet wil hebben.  Dus dwing je degene met de bal iets anders te bedenken.  Is de speler zonder bal in beweging en zoekt hij of zij de vrijheid op, dan geeft die aan dat hij of zij aanspeelbaar is.  Degene zonder bal is dus veel belangrijker.  Die kan aangeven waar het spel naartoe kan.
Een voorstopper die voor een corner naar voren gaat kan daarna niet  heel snel terug naar de verdediging.  Dan kost teveel energie  en kun je weinig beginnen.  Je loopt dus rustig terug, dat is omgaan met je conditie.  De speler geeft aan dat hij of zij even niet aanspeelbaar is.  Zo kan een andere speler zijn of haar spel even opvangen. Daarom  nogmaals:  degene zonder bal bepaalt het spel.

Je gaf net aan: “…dat is omgaan met je conditie.” Toen je bij de meisjes begon, hoe was de conditie?
Slecht.  Natuurlijk niet allemaal, maar bij velen ronduit slecht.  Ik heb toen het besluit genomen om rugby te gaan spelen.  Dat vonden ze prachtig.  Het was dan ook echte rugby volgens de regels.  Met dien verstande:  niet schoppen, geen slidings.  Volgens de spelregels, dus de bal niet naar voren gooien, maar achterwaarts gooien.  Met die regel leren de spelers al meteen een stukje positiespel. Maar rugby is natuurlijk conditioneel een zware sport.  Ze mochten elkaar meteen op het middel grijpen, daar worden ze fysiek beter van.  Daar haal je met positiespel, conditie en de fysieke kant van het spel, je voordeel mee uit.

Voetbal is een sport die inzicht vraagt. Een sport die van de speler vraagt om vooruit te kijken. Heb je dat meegenomen in je trainingen?
Ja absoluut.  Ik ben altijd bezig om de meisjes te leren om vooruit te denken.  Dat is best lastig. Ik wil ze leren om te bedenken, waar ze de bal zouden spelen ook al hebben ze de bal nog niet.

Daarnaast vond ik het heel belangrijk om te blijven kijken met de bal aan de voet.  Je hebt veel spelers die alleen maar naar de bal kijken, dat is niet goed.  Ik heb een speler die kan rond kijken terwijl ze met de bal speelt.  Het lijkt alsof de bal met een touwtje aan haar voet vast zit. Ze blijft maar rond kijken en probeert te bepalen waar de bal naartoe moet.

Is het dan zo dat je voeten de bal zien en je ogen het spel?
Ja, zo moet je het doen.  Natuurlijk mag je af en toe wel kijken naar de bal, maar dan kijk je.  Je neemt niet waar. Tussen kijken en waarnemen zit een groot verschil.  Waarnemen is beter kijken. Je neemt waar op het veld waar je de bal heen wilt spelen en in een ooghoek zie je dat witte vlek van de bal wel.  Zoiets moet voldoende zijn en daar kun je op trainen.

Tijdens de trainingen doe je veel in teamverband. Toch zijn er vaak dingen waar individueel op getraind moet worden. Daar kan de concentratie van de groep nog wel eens onder lijden. Hoe pak je dat aan?
Dat klopt. Vooral ’s winters moet je uitkijken dat je niet teveel op individueel gaat trainen. Het is natuurlijk koud en dan valt de concentratie gauw weg.

Wat ik dan doe is de groep na een spelvorm bij elkaar roepen.  Ik spreek dan niemand persoonlijk aan, ik vertel waarop het team moet letten, dan heb ik de volle aandacht.  Nadat ik dat heb gedaan, wijs ik spelers aan en vertel ze dat zij daar op moeten letten.  Want als ik mij meteen op enkele spelers richt, dan letten de anderen niet meer op.  Dan gaan ze kwebbelen, want dat kunnen ze.  Het is soms net een kippenhok.

Deze manier van bijbrengen is gewoon onderwijskundig.  Eerst iemand een compliment geven en daarna pas iemand vertellen wat ze beter moeten doen.

We gaan nu over op de zaterdag. De trainingen zijn geweest en we zitten voor de wedstrijd. Neem ons mee in die situatie.
In die situatie praten ze over alles wat niets met voetbal te maken heeft.  Ze gaan zich dan omkleden, ik wacht totdat de aanvoerder mij inseint dat ik naar binnen mag.  Ik wil meteen dat ze de mobieltjes in de bak leggen, want ze blijven doorgaan met berichtjes versturen.  Op dat moment is er nog geen belangstelling voor de wedstrijd, de enigen die dat interesseren zijn de leiders en ik.

Ik leg uit hoe ik de wedstrijd wil zien, een korte herhaling van de woensdagtraining.  

Daarna begint de warming-up onder mijn leiding. Dat gaat goed en fanatiek, ik zou ze dat wel alleen kunnen laten doen.  Even het balgevoel nog oefenen, dat gaat meestal niet zoals het hoort. Dat neem ik dan maar voor lief.  Als laatste nog even terug naar de kleedkamer, dat doe ik altijd.  Daarna begint de wedstrijd en duurt het vijf minuten en dan zitten ze erin.  Dan spelen ze.  Ik heb geen idee hoe dat kan, het is totaal anders dan met jongens.  Ik probeer ze voor de wedstrijd ook niet op scherp te krijgen, want dat lukt toch niet.

Als het in de rust slecht gaat, omdat ze er niets aan doen, dan krijgen ze de wind van voren.  Op een niet mis te verstane wijze.

Als er in de wedstrijd individuele fouten worden gemaakt, ga je daar op dezelfde wijze als bij de trainingen mee om?
Ik probeer daar een middenweg in te vinden.  Als er echt individuele fouten worden gemaakt dan kan ik daar niet de hele groep op aanspreken.  In mijn verhaal tegen de groep,  pak ik dan korte momenten om iemand persoonlijk op haar fouten te wijzen.

Hoe ben je langs het veld? Ben je te zien en te horen?
Tijdens de wedstrijd zit ik in de dug-out en probeer ik mijn mond  te houden, want coachen heeft eigenlijk weinig zin.  Als ik roep dat er een tandje bij moet, sta ik even langs de lijn. Dat is het teken dat het mij niet aanstaat.  Ik sta nooit kritiekvol te schreeuwen aan de lijn, dat doe ik van binnen wel. Het is zelfs zo dat ik wel eens trainers van de tegenstander heb aangesproken op hun schreeuwende gedrag aan het veld.  Ik wil respect behouden.  Ook niet bekken op de scheidsrechter, hoe slecht die ook is en die hebben wel eens gehad hoor.  Laat dat lekker gaan en richt je op één ding:  doelpunten maken.  Straf af met doelpunten.

Is het dan echt afgelopen nadat de scheidsrechter het eindsignaal blaast?

Dan is het afgelopen.  Elk meisje geef ik een hand en elk meisje heeft goed gespeeld.  Zo is dat bij mij. Je moet spelers niet gaan vergelijken.  Ik heb goede spelers, maar die kunnen niet voetballen zonder de dienende spelers.  Dat zijn spelers die beperkende voetballers zijn, maar die zijn net zo belangrijk. Ik blijf bij dit standpunt.  Iedereen heeft goed gespeeld, tenzij ze verloren hebben, maar dat komt niet zo vaak voor.

Even over jezelf.  Er zijn trainers die een bijgeloof hebben. Iedereen heeft zijn eigen “dingetje”

Ben jij ook zo’n trainer?
Ja, ik wissel nooit als de tegenstander de bal heeft.
Het is weleens fout gegaan, terwijl de tegenstander de bal ingooide, mijn wisselspeler nog niet op haar plaats stond.  Ik wissel alleen als wij balbezit hebben.  Dat weten de meiden ook en dat vinden ze goed.

Dit interview ging grotendeels over jouw manier van trainen.  Je moet altijd doorleren.  Hoe doe jij dat?
De boeken blijven bij mij in de kast.  Het begon dat ik veel trainingen van mijn oud-trainers toepaste. Ook maakte ik veel gebruik van de speelwijze van mijn oud-medespelers.
Ik kijk veel naar trainingen van FC Twente en daar pak ik wel eens iets uit.
Je moet als je training geeft weten wat nuttig is, anders dringt het niet door.  Leg uit waarom je iets doet.

Hoe ben jij buiten de wedstrijden en trainingen om?

Streng.  Je moet blijven controleren, vooral met pubers. Het is ook belangrijk dat je een vertrouwenspersoon bent.  Je moet weten wat er in je speler omgaat, ze moeten je hart bij jou durven en kunnen luchten.  Ik kan kwaad zijn op mijn spelers, maar dat laat ik niet aan externen blijken.  Ouders en/of toeschouwers zullen mij nooit zien donderen.

Moraal is belangrijk en ik wil ook graag lachen, gieren en brullen met mijn team.

De meisjesafdeling loopt goed, jouw team doet het goed. Hoe gaat het verder?
Het blijkt moeilijk de groep bij elkaar te houden. Eind vorig seizoen zijn er 6 meiden gestopt. Er zijn weinig tot geen aanmeldingen in deze leeftijdscategorie. Met Carmen hebben de leiders Arnold en Marcel en ik dit besproken en ons afgevraagd wat we niet goed doen of wat anders kan.

De meiden zijn vijftien, zestien en een paar zijn zeventien jaar.  Er komen andere interesses om de hoek kijken, ze gaan werken of ze hebben gewoon  geen zin meer. Dat is jammer want we spreken hier over een succesteam. Ik denk dat er best wel meiden zijn die bij ons willen voetballen, we hebben een prachtig complex, er is vanuit de vereniging aandacht voor het meisjesvoetbal. Hebben we de lat te hoog gelegd? Neen, want ambities mag en moet je hebben, als je het meisjesvoetbal op een hoger niveau wilt brengen.

Ik wil graag meisjes trainen en ze beter kunnen maken.

We zijn in december 2013 wederom gepromoveerd naar de hoofdklasse B, maar zochten uitdaging door vervroegd in de 1e klasse A te gaan spelen.  In de voorbereiding naar de voorjaarscompetitie bleek dat we te kampen hebben met een aantal hardnekkige blessures.  Voor ons reden om toch in de 1e klasse B te blijven. Belangrijk is nu de meisjes fit te krijgen en te houden. En als het nodig is zullen we uit de C-groep enkele meisjes meevragen.  

Oké dan zijn er meisjes die graag in je team willen spelen. Hoe zoeken ze contact?

Alle aanmeldingen lopen via onze coördinator Carmen, op onze website hebben we een pagina meisjesvoetbal.  Zij doet de eerste intake en leidt verder.  Nieuwe meisjes kunnen enkele keren met ons team meetrainen. En ik kan na enkele trainingen haar niveau aangeven.

We sluiten af met een laatste vraag. Wat is mooi voetbal?
Dat is natuurlijk een persoonlijke mening.
Het mooiste voetbal is in de regen op het veld. Ik moet zelf niets van kunstgras hebben, maar de meiden vinden het fantastisch. Op een normaal veld kun je jezelf nog verschuilen achter een kolletje, op kunstgras niet.
Verder het opbouwende voetbal : combinerend van achteruit, goeie passes en mooie steekballen.

 

Thomas Nijenhuis